donderdag 3 mei 2018

Bijdragen op het gebied van gender based-violence


Wij denken dat wij iets bij te dragen hebben hier. Onze kennis en ervaring, de e-learning, wij zijn toch van die idealisten die hopen iets nuttigs te doen.
Op dit moment maken we training materiaal voor gender trainingen. Wij hebben het grote geluk dat we zelf een projectvoorstel geschreven hebben wat gefinancierd is door de Zwitsers. Daarmee zijn we eigen baas. We hebben een stuurgroep die we af en toe een vraag stellen, of om feedback vragen, maar in praktijk zitten we zelf aan het roer. We willen het zo goed mogelijk doen: we willen bijdragen en dat blijkt weer een hele klus.

Waar hebben jullie behoefte aan?

Dat was de vraag die we aan verschillende gender trainers gesteld hebben. Aan materiaal om te trainen over gender based-violence, was het antwoord, we geven veel trainingen over gender based-violence.(1)
Okay, dan gaan we dat maken, was ons antwoord. Maar dan rijst de vraag: wat is dan gender based-violence in de Rwandese context? En waarmee zijn de trainers geholpen?

Achterin de klas zitten


Achterin de klas zie je wat er gebeurd en waarmee trainers geholpen kunnen worden. Ik heb samen met Ariane en Gretta een stuk of vijf trainers van verschillende organisaties geobserveerd. Zij gaven les aan geselecteerde community leden die dan de les later in hun eigen dorp moeten herhalen. Inhoud van de les: gender based-violence moet gestopt worden.
Ook hebben we lessen bijgewoond voor de mensen die de slachtoffers van gender based-violence moeten bijstaan. Er zijn hier blijf van mijn lijf voorzieningen waarin de politie, de sociale raadslieden, medici en een samenraapseltje van NGO’s en vrijwilligers samenwerken. Slachtoffers kunnen dan heel modern bij één loket “a one-stop-centre” heet dat hier, aangifte doen. Tegelijk wordt er psychische hulp geboden en bewijs materiaal verzameld. Dit alles wordt onder andere betaald met uw belastingcenten. Nederland zit hier dik in.

Wat heb ik achter in de klas geleerd


1. Rwandezen zijn braaf. Ze blijven altijd rustig. Zelfs als iets doodsaai is kunnen ze semi-geïnteresseerd blijven kijken. Een eigenschap die ik in het geheel niet bezit.

2. Veel lessen die gegeven worden zijn op een algemeen niveau. Zo van: Het is slecht om je vrouw te slaan.  Maar de vraag:
-Wie slaat zijn vrouw? of
-Welke vrouw in de zaal hier wordt geslagen?
wordt niet gesteld. Ik kan me nog voorstellen dat dit een nogal persoonlijke vraag is die niet iedere trainer wil stellen. Maar je zou ook de vraag kunnen stellen of je wel eens meemaakt dat de buurman de buurvrouw slaat. Of andersom. Dan wordt het allemaal wat concreter.

3. Het gaat naar mijn smaak allemaal nogal moralistisch. Rwanda is net Nederland in de jaren 50. Het volk wordt toegesproken over hoe ze zich dienen te gedragen. Mij lijkt dat het volk zelf moet nadenken.

4. Na de vijfde training bleek ik te kunnen voorspellen wat de volgende stap zou zijn. De deelnemers moeten in groepjes moesten bedenken wat gender based-violence is. Als groepjes hun antwoord rapporteren bleek gender based-violence zo ongeveer alles te zijn, van het niet hebben van een zorgverzekering, tot armoede, depressie of een ongelukkig huwelijk. Vier van de vijf trainers lieten dit onbesproken passeren. Slechts eentje ging met de antwoorden aan de slag en besprak wat de essentie van gender based-violence is.

5. Er worden geen feiten gebruikt in de trainingen. Ik kwam allerlei interessant onderzoek tegen.
Weet je dat 41 % van de Rwandese vrouwen het normaal vinden dat ze geslagen worden als ze het eten laten aanbranden? Of als ze hun man tegenspreken of de kinderen niet goed verzorgen?
Met dit soort feiten kan je hele leuke trainingen geven. De groep in twee delen verdelen, wie vindt dat slaan terecht is en wie niet, en dan een debat. Dan heb je het op een zinvolle manier over de normen en waarden hier.

6. Er zijn nogal wat mannen die vinden dat ze slachtoffer zijn van gender based-violence omdat er in Rwanda gender wetten zijn. Zo moeten zowel zonen als dochters evenveel erven. Dat vinden sommige mannen oneerlijk, omdat ze ook bruidsschat moeten betalen. Hun zussen verlaten de familie om bij de familie van hun man te gaan wonen. Dus zijn die mannen slachtoffer. Watte? Hier begint mijn hoofd cultureel wat te duizelen.

7. De deelnemers aan de trainingen krijgen een stapeltje papier mee naar huis, vaak in het Engels wat ze amper begrijpen of dichtbedrukte velletjes in het Kinyarwanda die ze niet lezen. Er is hier geen leescultuur. Met plaatjes zouden ze veel meer kunnen als ze de training moeten herhalen in hun eigen dorp. Er moeten plaatjes komen.

8. Tot slot: er wordt nogal gepraat over de hoofden van de betrokkenen heen. Zijn er voorbeelden van mannen die hun gedrag veranderen? Van vrouwen die zich de bananen niet van hun bordje laten eten?

Na al deze observaties ontvouwt zich bij mij een plan. Ik ga bijdragen. Ik ga een e-learning voor local leaders maken, met video’s waarin iedereen aan het woord komt. Ook maken we plaatjes met simpele oefeningen voor in de dorpen. De trainers vinden het een goed plan.

Nu de slachtoffers


Ik wil slachtoffers die geen slachtoffer meer zijn. Zal mijn Nederlandse inborst zijn. Mijn behoefte aan reflectie. Niets zo mooi als een patiënt die duidelijk aan de verpleegkundige vertelt hoe hij behandeld wil worden. Daar maakte ik al training over in Nederland.
Dus ga ik samen met Gretta op zoek naar verhalen van mensen die gender based-violence hebben meegemaakt en die willen vertellen wat hen geholpen heeft.  Welk gedrag helpt? Welke praktische hulp is nuttig? Ik wil dat die lokale leiders naar de “slachtoffers” luisteren in plaats van over ze te moraliseren. Ik wil ook graag van ze horen welk gedrag ze vreselijk vinden en wat hun niet hielp.

Respect voor de slachtoffers

Ter voorbereiding van ons filmavontuur heb ik een lang gesprek met Gretta, over privacy. Ik stel haar voor dat we de mensen van achter kunnen filmen, of hun gezicht onherkenbaar kunnen maken. Ook stel ik dat ik niet zo geïnteresseerd ben in alle nare dingen die ze meegemaakt hebben, maar vooral in hoe ze er bovenop komen en wat hen helpt.
Allemaal aardige gedachten van mij, maar Gretta, ons jongste maatje moet het werk doen. Zij spreekt Kinyarwanda, ik niet. Hoeveel kan ik bijdragen?

We krijgen vijf “cases” aangeleverd en gaan we op stap. Zoals gebruikelijk blijkt er nogal wat lucht te zitten tussen wat ik wil filmen en waarvoor mensen op de film willen. We hebben de cases via de “women spaces” een soort blijf van mijn lijf huizen. De “cases” zijn opgebeld dat ze moeten komen voor een filmploeg, zonder verder veel uitleg over hoe en wat. De dames en een enkele heer verschijnen braaf.

Privacy: hoezo? Ze gaan allemaal vol op de film met naam en toenaam. Het zijn plattelands mensen zonder veel kennis van Zuckerberg en internet filmpjes die je kunnen achtervolgen. Gloeps.
Met enige reflectie praten over wat je overkomen is? Nee hoor, het is ze net overkomen, ze hebben zich gemeld en ze praten erover. Praten doen ze in geuren en kleuren! Ze zijn boos of zeer verdrietig. Op hun man, ex-man of op hun vader.

Gretta doet de interviews in het Kynyarwranda. Ik bedien de camera en gis naar het verhaal. Maar het is wek duidelijk dat het geen leuke verhalen zijn, af en toe zie ik Gretta’s gezicht vertrekken. De verhalen ze gaan grotendeels over gewelddadige echtgenoten, tweede vrouwen en de armoede van het in je eentje kinderen opvoeden. Gewoon over dezelfde dingen die er in Nederland ook gebeuren.

Hebben we nu video’s met lessen voor de dorpshoofden? Gretta moet de stukjes nog knippen en de ondertiteling er nog onderzetten, maar ik vrees het ergste. Daar gaat mijn bijdrage.

Napraten

Later ga ik met Gretta er nog een rustig voor zitten. Wat is de positie van de vrouwen die we gefilmd hebben? Ze zijn weg bij hun man, maar ze zijn niet gescheiden. Hoe zit dat dan? Waarom scheiden ze niet. Scheiden kost geld? Wat is het voordeel van getrouwd blijven? Hoe zitten de alimentatie wetten in elkaar in Rwanda? Dat weet Gretta niet. Moet ik daar weer over gaan lezen.

De vrouwen vertelden op de video dat ze terecht kwamen bij de dorpsoudsten die mediator zijn in dit soort zaken. Die dorpsoudsten zijn meestal mannen op leeftijd met een traditionele en religieuze overtuiging. Ze roepen de twee partijen op, horen de verhalen aan, bemiddelen wat en laten een van de twee partijen beloven om het nooit meer te doen. Desnoods krijgt de andere kant ook een vermaning mee. Ik weet niet of ik me gehoord zou voelen in zo’n situatie.

Kortom, waar heb ik me nu weer in begeven? Hoezo denk ik dat ik kan bijdragen? Ik raak van de ene puzzel in de andere. Ik begon met een mooi lijstje van 8 punten en nu ben ik zwaar cultureel verdwaald. De verandering van verhoudingen tussen mannen en vrouwen, wat een onderwerp om aan te willen bijdragen.

De klap op de vuurpijl

We hadden Kinyarwanda les vandaag. Denyse, onze lerares vertelde over groeten.
Je wenst een man: veel kinderen, veel koeien (rijkdom) of vrede van God.
Je wenst een vrouw: een man (macht in je huishouden), veel kinderen, veel koeien of de vrede van God.
Je wenst een man nooit een vrouw. Want een vrouw telt niet in de Rwandese traditionele cultuur.

Mijn eigen man

Jan Willem begon heel hard te lachen. Wat een onzin riep hij. Iedere man wil een goede vrouw!
Mijn man heeft geen last van cultureel verdwalen.




(1) Nu ik dit schrijf denk ik, wat is gender based-violence in het Nederlands? Google geeft geslacht gerelateerd geweld. Hmmm. Niet zo’n mooie vertaling


zondag 28 januari 2018

Het vervolg, ons nieuwe huis



We zijn in de volgende fase beland met ons huis. Begin november schreef ik over de worsteling met de architecten die geen kloppende tekening konden maken voor de aanvraag van een verbouw vergunning en de dreiging van de trouwlocatie in het parkje pal onder ons nieuwe huis. Drie maanden verder is de situatie weer anders.

De trouwlocatie

De drie prachtige oude bomen blijken gekapt voor de trouwerij van de aangenomen dochter van onze buurman. Daar was het allemaal om begonnen. Het was een eenmalige zaak, zo lijkt het op dit moment, want na deze ene trouwerij zijn er geen andere trouwerijen geweest.
Ter voorbereiding van de trouwerij hebben de buren ongeveer 30 vrachtwagens grond laten storten om de wegen rond de tent te “verbeteren”. Dat heeft niet goed uitgepakt. Dat vond de buurvrouw ook. Haar verhaal: “De vrachtwagen chauffeur wilde extra geld. Dat gaf ik natuurlijk niet want ik had de eigenaar van de vrachtwagen al betaald. Toen werd de chauffeur boos en heeft hij om mij te pesten de grond op de foute plekken gestort.” 


Ze hebben echte macadam laten komen, een soort leem die geen water doorlaat. In de droge tijd is macadam keihard. Je moet er een zandlaag overheen storten en een wals de zaak plat laten rijden, anders wordt het bij regen zacht en spiegelglad. Maar op de zandlaag en de machines om de macadam uit te rijden en compact te walsen hebben ze bezuinigd. De buurvrouw heeft een happertje ter grote van een grasmaaier laten komen. Het resultaat: een soort golfslagbad. Bij iedere bui wordt de macadam een giga smeerboel. Na een wandeling in het park kom je met zwaar aangekoekte schoenen weer thuis, die natte macadam plakt vreselijk. De buurman komt zelfs bij regen de helling naar zijn eigen huis niet meer op met de auto. Helemaal geen leuke plek meer voor een trouwerij. Gniffel.


Het Red Het Park comité?

Dat gaat niet zo goed. De coöperatie heeft de helft van de rechte ceders in het park gekapt om het geld. We hebben de architect van dit snode plan ontmoet en hij heeft toegezegd dat we mogen meedenken met het vervolg, maar dat heeft tot nu toe geen duidelijke uitnodiging opgeleverd. De mini-boompjes die al waren aangeplant ter vervanging van de gekapte ceders zijn grotendeels bedolven onder het macadam van de buren. Tja.
We proberen nu in de commissie “Parkontwikkeling” van de cooperatie te komen om zo een beetje grip te krijgen op wat er allemaal gaat gebeuren in het park, maar dat wordt nog een heel verhaal.

En het huis?

Ja, het huis. We hebben 18 december 2017 de vergunning gekregen voor de verbouwing. Maar onze relatie met de jonge Rwandese architecten heeft het niet overleefd. Ze presenteerden een begroting die 3 keer zo hoog was als hun eerdere schatting. Na een woede uitbarsting van Jan Willem kostte precies dezelfde verbouwing met dezelfde materialen nog maar de helft. Maar we kregen niet te horen hoe dat nou kan. Dat is hem dus niet geworden. Jammer. Ik had het ze graag gegund want het waren leuke ambitieuze jongens. Maar er is een grens.
Toen stonden we met lege handen. Hoe nu verder? Als Nederlander in den vreemde met een probleem val je dan toch terug op Nederlanders. Zo blijkt het te werken. We kennen hier 2 Nederlanders die in de bouw zitten. Beiden hebben ons huis bekeken en kwamen met een voorstel. We zijn in zee gegaan met Hans.

Op zee met Hans

Hans is een Limburger die zijn schaapjes op het droge heeft. Hij is blijven hangen aan een Rwandese vrouw en als hobby tekent hij stadswijken en pretparken. Hij heeft een bouwbedrijf en is behoorlijk lokaal geworden. Hij bekeek ons huis en zei: “Ik zal jullie wel helpen, jullie mogen mijn opzichter een paar maanden half-time hebben voor € 400,- per maand. Hij kent wel mannetjes en die moet je dan op zaterdag cash uitbetalen. Ik heb nog wel een voorbeeld van een urenbriefje waar ze aangewend zijn. Je moet wat gereedschap kopen voor die mannetjes. Een lasapparaat; dat kan je wel van mij lenen.” Jan Willem en ik keken elkaar enigszins verbouwereerd aan.  “Hup” zei Hans, “Spring maar in de auto, dan laat ik jullie zien waar je gereedschap kunt kopen.” Eenmaal op de markt ging Hans voordoen hoe je een hamer van 6 Euro naar beneden kan onderhandelen tot 5 Euro. Hij had ook allemaal verhalen over de juiste mix van cement en de kosten van gipsplaten en bouwblokken. Hij maakt er sport van om goede kwaliteit te leveren tegen weinig geld. Wat wil je nog meer?
Jan Willem, Hans en Ireenee

De opzichter blijkt Ireenee te heten en een aardige kalme vent te zijn met verstand van zaken. Wij gingen met kerst naar Nederland en zijn “mannetjes” gingen met de gekochte hamers ons huis te lijf. Voordat we weggingen hebben we nog een rondje door het huis gelopen. De diagnose was dat de plafonds er scheef inzitten, het stucwerk ondeugdelijk is, alle ramen moeten worden vervangen en de helft van het dak moet worden vernieuwd.

Toen we in Januari terugkwamen uit Nederland lagen inderdaad alle plafonds en kozijnen eruit en waren ze ijverig bezig het dak en het stucwerk te slopen. De elektradraden hingen als een soort jaren ’60 visnetten door de kamers, maar zoiets vinden de mannetjes geen bezwaar. Dan kan je overal draden in elkaar draaien en heb je elektra voor de slijptol en het lasapparaat. 




Ik griezel ervan, maar Hans lacht erom. “ Toen ik in Rwanda begon met mijn bouwbedrijf, gaf ik iedereeen die voor mij werkte een helm en veiligheidsschoenen. Na twee maanden was alles “kwijt” en liep iedereen weer gewoon op zijn slippers.”  

In praktijk werkt het tot nu toe vrij makkelijk voor ons. Iedere morgen belt Irenee, dan lopen we even naar het huis en bespreken de voortgang. Intussen regelt Irenee ook alle inkopen en gelukkig betaalt hij de salarissen uit op zaterdag. Af en toe schrijven we Hans een check van een paar miljoen Rwandese Franken en daar kan Irenee dan weer even mee verder.  Is er een strakke begroting en een planning?  “Nee hoor, met zo’n verbouwing moet je stap voor stap werken” zegt Hans. En daar zit wel wat in, vinden wij. 




Gaat het goed?

Over het algemeen gaat het wel goed. Af en toe zijn er wel gekke dingen. Zo heeft Irenee één mannetje wel twee weken lang een gat ter grote van een zwembad laten graven om de beerput in onze tuin te vinden.  Uiteindelijk is op grote diepte de beerput gevonden en leeggehaald door een echte beerputten-leeg-slurp-machine. De beerput wordt hoger gemaakt zodat we de komende 50 jaar kunnen poepen zonder problemen.

De planning van materialen blijkt niet altijd goed te gaan. Bij een verrassingsbezoek in de middag troffen wij de metselaar languit slapend aan in een half opgemetseld toilet. “Cement is op” luidde de verklaring.

Ook blijkt de werkverdeling bijzonder. Iedere vakman, bijvoorbeeld de metselaar of lasser, heeft een hulpje. Dat is een team. Het hulpje mixt cement, geeft bouwblokken aan, of houdt dingen vast. Maar het gaat allemaal niet zo snel. Laatst kwamen we op ons ochtend rondje kijken en toen zaten ze lekker op het randje van een muur te kletsen. Toen ze ons zagen schoten ze aan het werk. Maar dat werk leek voor het hulpje van de goten-steller vooral te bestaan uit zitten. Ik kon toch niet nalaten om te vragen: “Wat doet hij nu?” Het antwoord: “een touwtje vasthouden”.